MDG 1: extreme armoede en honger uit de wereld helpen

Resultaat:

  • Het aandeel extreem armen in de wereld halveerde tussen 1990 en 2010.
  • Het aantal mensen in ontwikkelingslanden die leven met honger daalde van 24 % in 1990 naar 14 % in 2010, maar van de vooropgestelde halvering is geen sprake.
  • In 2013 werkte 56 % van alle werkenden in ontwikkelingslanden in een kwetsbare arbeidssituatie. Volledige tewerkstelling en waardig werk voor iedereen blijven nog veraf.

De eerste en meest bekende van de Millenniumdoelstellingen gaat over het halveren van extreme armoede en honger. De target om het aantal armen in de wereld te halveren werd al in 2010 gehaald. Nog maar 18 % van de wereldbevolking leeft in extreme armoede – afgemeten als een inkomen van minder dan 1,25 dollar per dag – ten opzichte van 36 % in 1990. Dat gaat echter nog steeds om 1,3 miljard mensen. Bovendien houdt een dergelijke absolute armoededrempel geen rekening met de sterk toenemende ongelijkheid in veel landen.

Wat opvalt zijn de grote verschillen die tussen regio’s bestaan. China heeft zijn extreme armoede tussen 1990 en 2010 bijna door 6 gedeeld, terwijl in Sub-Sahara Afrika het aantal mensen in extreme armoede slechts daalde van 56 naar 48 %. Hoewel er wereldwijd sprake is van vooruitgang, zou de halvering van de extreme armoede niet gehaald zijn zonder de vooruitgang van China.

Het aantal mensen in ontwikkelingslanden die leven met honger nam sinds 1990 af – van 24 % in 1990 naar 14 % in 2010 –, maar er is geen sprake van een halvering. Ook hier tekenen zich dezelfde regionale verschillen af. In Zuidoost Azië is ondervoeding bijna door drie is gedeeld terwijl Sub-Sahara Afrika slechts een lichte vermindering kent. Opvallend is dat in West-Azië ondervoeding is toegenomen.

 

MDG 2: universeel lager onderwijs

Resultaat:

  • Het streefdoel om alle kinderen naar de lagere school te krijgen werd niet gehaald, maar er is wel vooruitgang. 90 % van de kinderen in ontwikkelingslanden gaat naar de lagere school, tegenover 80 % in 1990.

90% van de kinderen in ontwikkelingslanden volgen lager onderwijs. In 1990 lag dat percentage nog op 80%. De grootste vooruitgang werd geboekt in de periode tussen 2000 en 2007, waarna het aandeel kinderen dat naar school ging stagneerde. Hoewel Sub-Sahara Afrika een spectaculaire stijging kende – in 2012 gingen 78 % van de kinderen er naar school tegen maar 52 % in 1990 – blijft de regio als enige onder de grens van de 90 %.

Toch gaan op dit moment wereldwijd nog altijd 58 miljoen kinderen niet naar de lagere school. De helft van hen leeft in landen en gebieden die getroffen zijn door oorlog en conflicten. Vele kinderen die op een gegeven moment wel naar school gaan, maken de lagere school bovendien nooit af. Verder blijft de kwaliteit van het onderwijs in veel landen een uitdaging.

De Millenniumdoelstellingen focussen overigens enkel op lager onderwijs. Ook op vlak van het ruimer toegankelijk maken van secundair en hoger onderwijs en levenslang leren blijft nog veel werk aan de winkel.

 

MDG 3: gendergelijkheid en het versterken van vrouwen

Resultaat:

  • Wereldwijd gaan quasi evenveel meisjes als jongens naar de lagere school; voor middelbaar en hoger onderwijs bestaat in sommige regio’s wel nog een ondervertegenwoordiging van vrouwen.
  • Vrouwen blijven zwaar ondervertegenwoordigd in parlementen en doen nog steeds meer kwetsbare vormen van werk.

Gendergelijkheid in de toegang tot onderwijs is in alle regio’s en op alle onderwijsniveaus toegenomen. In zo goed als alle regio’s is er op vlak van lager onderwijs sprake van een (quasi)genderevenwicht in de toegang tot onderwijs. In 1990 gingen in ontwikkelingslanden nog slechts gemiddeld 86 meisjes per 100 jongens naar school. Ook voor secundair en hoger onderwijs is er globaal een genderevenwicht bereikt, al zijn er daar wel grote regionale verschillen. Zo genieten slechts 64 meisjes op 100 jongens hoger onderwijs in Sub-Sahara Afrika, terwijl in Noord-Afrika, Zuid-Oost Azië en Latijns-Amerika juist meer meisjes dan jongens naar het hoger onderwijs gaan.

Vrouwen blijven echter zwaar ondervertegenwoordigd in parlementen – 22 % van alle parlementsleden zijn vrouwen tegen 14 % in 2000 –, en doen nog steeds meer kwetsbare vormen van werk.

 

MDG 4: kindersterfte verminderen

Resultaat:

  • Op het vlak van de vermindering van de kindersterfte werd vooruitgang geboekt, maar het streefdoel van een vermindering met twee derde werd niet gehaald.

De vierde van de Millenniumdoelstellingen streeft naar het verminderen van kindersterfte met twee derden. Vooruitgang werd geboekt, maar zeker niet voldoende om de target te behalen. In ontwikkelingslanden stierven in 2012 nog 53 op 1000 kinderen voor hun vijfde levensjaar, tegenover 99 in 1990. Hoewel ook Sub-Sahara Afrika en Zuid-Azië vooruitgang hebben geboekt, hinken zij achter op de rest van de wereld. Jaarlijks sterven nog steeds 6,6 miljoen kinderen voor hun vijfde levensjaar.

MDG 5: de gezondheid van moeders verbeteren

Resultaat:

  • Vooruitgang werd geboekt op het vlak van de vermindering van moedersterfte, maar het streefdoel van een vermindering van drie vierde werd niet gehaald.

De vijfde doelstelling rond de verbetering van de gezondheid van moeders streeft naar het verminderen met drie vierden van de moedersterfte in ontwikkelingslanden. Dat streefdoel wordt niet gehaald, al is er wel sprake van vooruitgang: in 1990 stierven in ontwikkelingslanden nog 430 moeders op 100.000 geboortes, in 2013 waren er dat nog maar 230. De toegang tot gezondheidszorg verbeterde ook: terwijl in 1990 slechts 65 procent van de zwangere vrouwen in ontwikkelingslanden minstens één keer toegang had tot gezondheidszorg, was dat in 2012 al 83 procent. Verder ging ook het aantal tienerzwangerschappen erop achteruit – al blijft het hoog in Sub-Sahara Afrika – en nam het gebruik van contraceptieve middelen toe.

 

MDG 6: de strijd tegen HIV/Aids, malaria en andere ziektes

Resultaat:

  • De strijd tegen hiv/aids, malaria en andere ziektes leidde tot een afname van de verspreiding ervan, al zijn de ziektes nog niet gestopt.
  • De toegang tot aidsremmers is sinds het begin van deze eeuw spectaculair toegenomen.

De strijd tegen HIV/Aids, Malaria en andere ziektes leidde tot een afname van de verspreiding van HIV/Aids, al is de ziekte nog gestopt, zoals wel vooropgesteld was. Waar in ontwikkelingslanden in 2001 jaarlijks nog gemiddeld 100 nieuwe gevallen van HIV/Aids per 100.000 inwoners waren, waren dat er in 2012 nog 60. Ook hier zijn de verschillen tussen regio’s groot. Zo kent Zuidelijk Afrika 1.020 nieuwe gevallen per 100.000 inwoners per jaar, weliswaar een hele vermindering ten opzichte van de 1.980 in 2001. De toegang tot aidsremmers nam spectaculair toe: begin deze eeuw beschikten nog maar een paar honderdduizend mensen erover, in 2012 ging het om 9,5 miljoen mensen, waarvan het grootste deel in Sub-Sahara Afrika.

Het aantal doden door malaria met 42 procent daalde tussen 2000 en 2012, en ook het aantal doden door tuberculose halveerde tijdens de afgelopen jaren. Die sterke vooruitgang betekent daarom nog niet dat de target om die ziektes te stoppen ook gehaald zal worden.

 

MDG 7: een duurzaam leefmilieu

Resultaat:

  • Het streefdoel om het aantal mensen zonder toegang tot drinkbaar water te halveren werd gehaald.
  • Ook op het vlak van afvoer van afvalwater werd vooruitgang geboekt, maar van een halvering van het aantal mensen zonder toegang tot sanitair is geen sprake.
  • Door de enge invulling van ‘duurzame ontwikkeling’ gaat deze Millenniumdoelstelling voorbij aan de urgente uitdagingen op ecologisch vlak waar de aarde momenteel mee geconfronteerd wordt.

De zevende van de Millenniumdoelstellingen gaat over het verzekeren van een duurzaam leefmilieu. Dat is eigenlijk misleidend, want de invulling die daaraan gegeven wordt is zeer beperkt. De targets gaan slechts over drinkwater, sanitair en sloppenwijken en gaan zo voorbij aan veel van de grote ecologische uitdagingen waar de wereld vandaag voor staat.

Een eerste target om het aantal mensen zonder toegang tot drinkbaar water te halveren werd gehaald. Meer dan 2,3 miljard mensen verkregen toegang tot drinkbaar water tussen 1990 en 2012. Ook hier hinkt Sub-Sahara Afrika zwaar achter op de rest van de wereld. Op vlak van afvoer van afvalwater werd vooruitgang geboekt – in 2012 had 64 % van de wereldbevolking toegang tot een dergelijk systeem tegenover slechts 49 % in 1990 –, maar niet voldoende om de target te halen.

Een laatste target gaat over het verbeteren van de levensomstandigheden van ten minste 100 miljoen bewoners van sloppenwijken. Die target werd gehaald, hoewel de bevolking in sloppenwijken in absolute aantallen toeneemt als gevolg van de groeiende verstedelijking.

 

MDG 8: een globaal partnerschap voor ontwikkeling

Resultaat:

  • De achtste Millenniumdoelstelling gaat over de middelen die rijke landen ter beschikking moeten stellen opdat ontwikkelingslanden de doelstellingen kunnen halen. Er zijn geen meetbare targets om na te gaan of de doelstelling behaald is.
  • De donoren zijn er niet in geslaagd om hun beloftes over ontwikkelingshulp na te komen.
  • De wereldmarkten zijn vrijer geworden en de tarifaire handelsbarrières voor ontwikkelingslanden zijn verlaagd. Daar zijn echter slechts weinig ontwikkelingslanden beter van geworden.
  • Schuldherschikkingen hebben geleid tot meer leefbare schuldenniveaus, al zijn er minder aanwijzingen dat ze ook meer economische groei of een vermindering van de armoede teweeg hebben gebracht.

De laatste en meest vage van de Millenniumdoelstelling streeft naar een globaal partnerschap voor ontwikkeling. Ze heeft betrekking op het verstrekken van ontwikkelingshulp door rijke landen, het verminderen van handelsbarrières voor ontwikkelingslanden die naar rijke landen willen exporteren, en het aanpakken van het schuldenprobleem van ontwikkelingslanden. Het is de enige doelstelling ook die geen meetbare targets heeft.

 

Ontwikkelingshulp

Donoren zijn er niet in geslaagd om hun beloftes rond ontwikkelingssamenwerking na te komen. Sinds de jaren '70 beloven rijke landen om 0,7 % van hun bruto nationaal product aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Die belofte werd sindsdien verschillende malen hernomen.

Tijdens de hele uitvoeringsfase van de Millenniumdoelstellingen bleven we ver verwijderd van het behalen van die 0,7 %-doelstelling. De landen van het Ontwikkelingscomité van de OESO lieten hun ontwikkelingshulp weliswaar stijgen van 0,22 % van het bni in 2000 naar 0,32 % in 2005, sindsdien bleef de hulp stagneren rond de 0,30 % van het bnp.

Ook ons land is er nog nooit in geslaagd de 0,7 %-belofte na te komen, hoewel ze ingeschreven is in de Belgische wat op de ontwikkelingssamenwerking. Gemiddeld lag de Belgische hulp op slechts 0,49 % van het bni in de periode van 2001 tot en met 2013.

 

Handel

Het aandeel van het Zuiden in de wereldhandel is de afgelopen 15 jaar sterk tegenomen, en de Zuid-Zuid handel is groter geworden dan de Zuid-Noord handel, maar dat is slechts het gevolg van een beperkt aantal groeilanden zoals China. Het grootste deel van de ontwikkelingslanden heeft met andere woorden weinig voordeel gehaald uit de sterke toename van handelsverdragen tijdens de laatste 15 jaar.

Het aandeel van producten uit ontwikkelingslanden die zonder douaneheffingen in ontwikkelde landen geïmporteerd kunnen worden steeg de afgelopen 15 jaar van 65 % in 2000 naar 80 % in 2012. Toch is de economische impact ervan op de minst ontwikkelde landen beperkt. Die landen verliezen hun bevoorrechte positie omdat nu ook andere ontwikkelingslanden van hetzelfde voordeel kunnen genieten. Bovendien zijn er andere handelsbelemmeringen die blijven bestaan. Producten uit de minst ontwikkelde landen voldoen vaak niet aan de technische, hygiënische of cosmetische normen die gelden in ontwikkelde landen. Het afschaffen van douaneheffingen en quota alleen volstaat hier niet.

 

Schulden

Schuldherschikkingen onder het Heavily Indebted Poor Countries (HIPC) initiatief en het Multilateral Debt Relief Initiative (MDRI) leidden vanaf 2000 tot meer leefbare schuldenniveau ’s bij de landen in kwestie, al zijn er minder aanwijzingen dat ze ook leidden tot meer economische groei of een vermindering van de armoede. Daarmee zijn die initiatieven succesvoller dan de schuldverlichting door de Club van Parijs in de jaren ’90, de niet leidde tot een verbetering van de solvabiliteit van ontwikkelingslanden. Problematisch is wel dat een aantal landen die schuldherschikkingen hebben gekregen, zich opnieuw in een schuldencrisis bevinden. De landen in kwestie zijn nog steeds zeer kwetsbaar voor externe schokken zoals de economische crisis, en de huidige schuldverlichtingsinitiatieven kunnen de leefbaarheid van de schuldenniveau’s op de lange termijn niet garanderen.